Mon Oncle | Jacques Tati

9,50

De kleine Gerard woont met zijn ouders in een hypermodern maar kil huis, waar geen ruimte is voor humor en kattenkwaad. Gelukkig heeft hij nog zijn prettig gestoorde oom, Monsieur Hulot. Een verrukkelijke satire op het gemechaniseerde leven.

Beschrijving

Toen het maandblad Cosmopolitan Mark Rutte vroeg naar zijn favoriete film, kwam deze met een verrassende keus: Mon Oncle. Geen slechte keuze voor de Nederlandse premier, zullen filmliefhebbers zeggen.

Mon Oncle is Tati’s tweede film rond diens alter ego monsieur Hulot. Het personage dat altijd zijn eigen weg volgt in het leven. En zich niet mee slaat slepen in de maatschappelijke gekte; er hoogstens in verdwaalt.

In de voorgaande Hulot-film, Les Vacances (1953), hebben we al kennisgemaakt met Mr. Hulot. Een man die het geordende leventje in een klein hotelletje aan de Franse kust volkomen ontregelt. Niet met opzet, maar gewoon, door zijn doen en laten, door wat hij is.

Iemand die leeft op een manier zoals alleen kinderen dat kunnen, verduidelijkt de Vlaamse filosofe Ann Meskens: ‘In Hulots vreemde sprongen zit een zekere wijsheid die het voorrecht van kinderen is. Kinderen zijn nog gedurig nieuwsgierig, stellen zich in concentratie totaal beschikbaar voor dat ene moment, dat vervolgens, alweer snel vergeten, ingeruild wordt voor een ander moment.’ En zo leeft ook Mr. Hulot.

Ook in de tweede Hulot-film, Mon Oncle (1958), fungeert Hulot als een soort spiegel. Dit keer als spiegel van zijn zuster die getrouwd is met de directeur van een plasticfabriek, die ze elke morgen uitzwaait, zorgvuldig het laatste stofje van zijn onberispelijk ogende pak borstelend.

Alles is onberispelijk in dit gezin Arpel. Een modern huishouden waarin de techniek het leven veraangenaamt, of althans zou moeten veraangenamen; waarin alles op rolletjes loopt, of althans op rolletjes zou moeten lopen. Verbazingwekkend dat een in de jaren vijftig opgenomen film in dit opzicht nog altijd weet te overtuigen.

En dan te bedenken dat de hoogtijdagen van het rationele denken in die jaren nog moesten komen. Het strijk-alles-glad-syndroom – dat landbouw, stedenbouw en architectuur eind jaren zestig, begin zeventig zou gaan typeren – moest toen nog op stoom raken.

De kaalslag van binnensteden was in die tijd nog toekomstmuziek. De Hoog Catharijnes moesten nog worden gebouwd. De ruilverkaveling had de meeste kromme lijnen in het agrarisch landschap nog niet weggewerkt. En binnenshuis was de rage om gebogen lijnen en oneffenheden met gipsplaten en hardbord af te dekken, nog in opkomst.

Verbazingwekkend eigenlijk hoe speels en vrij Jacques Tati dan al met dit thema speelt.

Vergeleken met de bewoners van het modernistische, volautomatisch ingerichte huis van de Arpels, is Mr. Hulot natuurlijk een soort zwerver. Een maatschappelijke nietsnut waar zijn neefje Arpel zich desalniettemin graag mee inlaat en die hem iets laat proeven van de chaotische, ongedwongen kant van het leven.

Aan Simon Carmiggelt vertelde Tati eens dat een film gelukkig moest maken. ‘Elk goed verhaal, moet iets hebben van…’ en Tati hield op dat moment zijn hoofd schuin en floot even ‘als een vogeltje in het bos’. Tati was gek op mensen die fluiten op straat. ‘Het ziet er een beetje idioot uit,’ zei hij er dan verontschuldigend bij, ‘maar ik hou er nu eenmaal van.’

In Mon Oncle opent monsieur Hulot op een bepaald moment het venster van zijn woning zo ver dat een vogel in een kooitje begint te fluiten. Anders gezegd, in al Tati’s films lijkt steeds plaats voor een leven waarin men ‘fluit louter om het leven zelf.’

En Mon Oncle roept dat gevoel in ieder geval in de kijker op. Ann Meskens vertelt in haar prachtige boek Jacques Tati. Een kwestie van kijken, wat er in haar geval gebeurde bij het kijken naar deze film. ‘Een onstuimig en onbeheerst lachen tilt me op, schudt me door elkaar en zet me pas veel later neer. Ik maak niet veel geluid, dat niet, maar bij elk ha-ha-ha wippen mijn benen omhoog en ik, licht van gewicht, raak beklemd in de oude filmstoel die bij elke lach meer dichtklapt door mijn zakkend gewicht.’

Tati zelf zei: ‘Ik geloof dat het leven niet interessant meer zou zijn als er helemaal niet meer gelachen zou kunnen worden.’ En… ‘Als je nieuwsgierig wordt naar de kleine dingen van het leven, zie je op de een of andere manier ook eerder de humor van het leven opduiken.’

Mon Oncle werd tijdens het filmfestival van Cannes 1958 bekroond met de Speciale Juryprijs en own een jaar later de Oscar voor beste buitenlandse film.

Extra informatie

Gewicht1 g
Regisseur

Jacques Tati

Jaar

1958

Taal gesproken

Frans

Ondertiteling

Nederlands

Filmduur

114 minuten